Note 9 — Vierde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Hij, die aldus zoo algemeen de bewondering en de aandacht trok, was Bartja9, zoon van den overledenen en broeder van den regeerenden koning van Perzië. De natuur had hem alles geschonken, wat een jeugdig hart op twintigjarigen leeftijd zou kunnen wenschen. Van onder de blauwe en witte banden, waarmede zijne tiara omwonden was, kwamen dichte, goudgele haren in weelderige lokken te voorschijn. Uit zijne helderblauwe oogen straalden levenslust, goedheid en dapperheid, ja vermetelheid. Zijn edel gelaat, dat de eerste sporen vertoonde van een baard, zou een waardig model zijn geweest voor den beitel van een Griekschen beeldhouwer. Zijne ranke, gespierde gestalte getuigde van groote kracht en ongemeene vlugheid. De pracht van zijn gewaad was evenredig aan zijne schoonheid. In het midden van zijne tiara fonkelde eene groote ster van diamanten en turkooizen. Zijn tot over de knie reikend opperkleed van zwaar wit goudbrocaat, werd boven de heupen door een gordel van blauw en wit10 bijéengehouden. In dezen gordel hing een kort zwaard met gouden scheede, die evenals het gevest, tot overladens toe, met witte opalen en blauwe turkooizen bezet was. De benedenkleederen. die nauw om de beenen sloten, bestonden evenals het opperkleed uit goudbrocaat. Aan de voeten droeg hij lage schoenen van lichtblauw leder. Zijne krachtige armen, die de wijde lange mouwen van zijn kleed voor een groot deel zien lieten, waren met onderscheidene kostbare armbanden van goud en edelgesteente versierd. Van zijn slanken hals hingen gouden ketens tot op de hooggewelfde borst neder11.