Note 2 — Vierde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»De vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt, wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is voor zijne roofschepen veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus zijn zijne vrienden. Lygdamis is hem veel verplicht, en heeft de hulp der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De grieksche Amphiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door Apollo van Delos het naburige eiland Rhenia2 te schenken. Alle vaartuigen, onverschillig tot welke natie zij behooren, worden verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige havendammen van Samos zóo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den gelukkigen Kolaeus3 naar het westen volgden, en de roofschepen, die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates tot den machtigsten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk uw vader zegt, de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden.