Note 7 — Tweede hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Aan den avond van dien dag werd Cambyzes weder door zijne oude kwaal, de vallende ziekte, bezocht. Twee dagen later kreeg Nebenchari verlof, om het lijk, overeenkomstig den laatsten wensch der gestorvene, op Egyptische wijze te balsemen. De droefheid van den koning kende geene perken; hij reet het vleesch van zijne armen, scheurde zijne kleederen, en strooide asch op zijn hoofd en zijne legerstede. Al de grooten van het hof moesten zijn voorbeeld volgen. De wachten betrokken hunne posten, met gescheurde vanen en onder doffen trommelslag. De cymbalen en pauken der Onsterfelijken werden met floers omwonden. De paarden, die de overledene bediend hadden, en die, welke door het hof gebruikt werden, moesten blauw geverfd en hunne staarten afgesneden worden. Het geheele hofpersoneel was in donkerbruine, tot aan den gordel gescheurde rouwkleederen gehuld, en de magiërs moesten drie dagen en drie nachten zonder ophouden voor de gestorvene bidden, wier ziel in den derden nacht bij de brug Chinvàt haar vonnis voor de eeuwigheid te verwachten had7. Ook de koning, Cassandane en Atossa onttrokken zich aan deze reinigingen niet. Zij zeiden, als voor eene naaste bloedverwante, dertig lijkgebeden op, terwijl Nebenchari in een buiten de stadspoort gelegen huis, volgens al de regels der kunst, het lichaam begon te balsemen8.