← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Note 1 — Tweede hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

Atossa sloop naar hare moeder terug. Doodelijk stil was het in de drukkend warme ziekenkamer. De Egyptenaar herinnerde zich zijn droom van straks; hij hield zichzelven voor, hoe hij op het punt was een verrader en een misdadiger te worden. Nogmaals trok alles, wat hij in zijn half slapenden, half wakenden toestand had aanschouwd, voor het oog zijner verbeelding voorbij. Maar ditmaal werden die ontzettende droomgezichten door een nieuw beeld verdrongen. Nebenchari zag zichzelven naast de met ketenen beladen gestalten van Amasis, die hem gebannen en bespot, van Psamtik en de priesters, die zijne werken vernield hadden. Zachtkens bewogen zich zijne lippen. Aan deze plaats durfde hij de onbarmhartige woorden, die hij in den geest zijne om genade smeekende vijanden toeriep niet uiten. Zie, daar wischt de hardvochtige man zich een traan uit het oog. Zijne ziel doorleefde nog eens de lange nachten, in welke hij, met de schrijfstift in de hand, bij het matte schijnsel der lamp had neêrgezeten, en zijne gedachten en ervaringen, terwijl hij iedere letter zorgvuldig penseelde, in de fijnste hiëratische teekens had neergeschreven. Voor menige oogziekte, die de heilige boeken van Toth1 en de verhandelingen van een oud, hoogberoemd arts van Byblos onherstelbaar noemden, had hij een geneesmiddel gevonden. Maar hij wist wel, dat zijne ambtgenooten hem van misdaad zouden hebben beticht, als hij zich vermeten had er voor uit te komen, dat hij het gewijde boek wilde verbeteren. Daarom had hij dit opschrift voor zijn boek gekozen: »Eenige nieuwe door Nebenchari, den oogarts, gevonden geschriften van den grooten Toth, betreffende de oogheelkunde2.” Na zijn dood moest zijn werk het eigendom der boekverzameling te Thebe3 worden, opdat al zijne opvolgers met zijne ervaringen hun voordeel mochten doen, en ontelbare lijders de vruchten van zijn arbeid plukken. Erkenning zijner verdiensten na zijn dood, dat was zijn ideaal; en om dat te verwezenlijken had hij aan de wetenschap zijne nachtrust ten offer gebracht. Hij dorstte naar roem, als belooning van zijn wroeten en zwoegen, voor de kaste tot welke hij behoorde.—Zie, daar staat zijn oude mededinger Petammon, na hem de uitvinding der staarsnede ontroofd te hebben, aan de zijde van den kroonprins, in het heilige bosch van Neith, en stookt het vernielend vuur op. De roode gloed der vlammen verlicht de boosaardige trekken dier beiden, en—hoor! hun spotlach, die om wraak schreit, stijgt met de vlammen ten hemel. Ginds stelt de opperpriester aan Amasis de brieven zijns vaders ter hand. Hoonende en spottende woorden vloeien van de lippen des konings, het gelaat van Neithotep gloeit van helsche vreugde.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings