Note 3 — Tweede hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Maar wat was dat?—De klagende, galmende toon, dien zij in den droom vernomen had, klonk nog voort nu zij ontwaakt was. Zij rukte de luiken van een venster open en zag naar buiten. Een groote, prachtige tuin, met springfonteinen en lange rijen boomen, door den frisschen dauw bevochtigd, lag daar vóór haar3. Geen geluid werd vernomen, behalve dien vreemden toon. Maar ook deze stierf eindelijk in het ochtendkoeltje weg. Na weinige oogenblikken hoorde zij in de verte schreeuwen en joelen. Daarop ontwaakte allengs het leven in de reuzenstad. Ten laatste vernam zij nog slechts een dof bruisen, als dat van de golven der zee.