← Table of contents
Eene Egyptische Koningsdochter

Note 3 — Tiende hoofdstuk.

Hendrik Cornelis Rogge translation

»De gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeëigende, want hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde: Gij zijt niet degeen, voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating en verbonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bartja had gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs de waard van het posthuis zwoer, toen we ’s jongelings gelaat van het bloed gezuiverd hadden, dat de aangerande zonder eenigen twijfel de jongere zoon van uw grooten vader was. Intusschen was mijn Egyptische reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit de reisapotheek3, zonder welke een Egyptenaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, een drank gekregen, waarvan hij den kranke een weinig ingaf. De droppels werkten zoo wonderbaar, dat het door de koorts heftig bewogen bloed na weinige uren tot rust kwam, en de jongeling bij het opkomen der zon wederom de oogen opsloeg. Nu bogen wij ons voor hem neder, als voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis te Babylon vervoerd te worden. Hij verzekerde ons echter met drift, dat hij niet diegeen was, voor wien wij hem aanzagen, maar....”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings