Note 4 — Elfde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken, de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs, dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid, van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren, wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris4, en ik kus mijne zuster als zij roept: ‘O, Aphrodite, kon ik u eens zien!’”