Note 18 — Eerste hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Aesopus18, de dichter der dierenfabelen, die toen evenzeer als slaaf bij Jadmon diende, had een bijzonder welgevallen in de aanminnigheid en geestigheid van het kind. Hij onderrichtte het in allerlei zaken, en zorgde voor Rhodopis, gelijk een paedagoog19, dien wij, Atheners, voor onze jongens in dienst nemen. De goede leermeester vond in haar eene discipelin, die zich gemakkelijk liet leiden en zeer vlug van bevatting was. De jonge slavin sprak, zong en musiceerde binnen korten tijd beter en schooner, dan de zonen van Jadmon, die eene allerzorgvuldigste opvoeding genoten. Op haar veertiende jaar was Rhodopis zóo schoon en zóo ontwikkeld, dat de ijverzuchtige gade van Jadmon het meisje niet langer in haar huis wilde dulden, en de Samiër na lang tegenstribbelen, zijne lieveling aan zekeren Xanthus verkoopen moest. Te Samos heerschte toenmaals nog de weinig bemiddelde adel. Ware Polycrates reeds aan het bestuur geweest, zoo had Xanthus voorzeker niet lang naar een kooper behoeven uit te zien. Die tyrannen vullen hunne schatkamers, gelijk de eksters hunne nesten! Hij begaf zich dus met zijn kleinood naar Naucratis, en won hier door de bekoorlijkheden zijner slavin groote schatten. Rhodopis doorleefde nu drie jaren van diepe vernedering, waaraan zij nog altijd met afkeer denkt.