Note 9 — Eerste hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Meent gij dan,” vroeg Phanes, »dat ik niet vurig verlang, mijn geliefd Athene, de speelplaatsen mijner jeugd, en het vroolijk gewoel van de markt weder te zien? Geloof mij, het brood der ballingschap smaakt ook mij niet; maar door een verkeer gelijk dit huis biedt, wordt het eenigszins smakelijker. En als de geliefde Helleensche liederen, zoo wonderbaar schoon gezongen, tot mijn oor doordringen, dan zie ik in mijne verbeelding mijn vaderland voor mij; dan zie ik zijne olijf- en pijnbosschen, zijne frissche smaragdgroene stroomen, zijne blauwe zee, zijne prachtige steden, zijne met sneeuw bedekte bergtoppen en marmeren zalen. Wanneer dan de tonen zwijgen, biggelen mij tranen van weemoed en verrukking langs de wangen, als ik tot mij zelven moet zeggen, dat ik nog in Egypte toef, dat eentonige heete wonderbare land, dat ik, den Goden zij dank, weldra verlaten zal. Maar, Aristomachus, is het verstandig de oasen in de woestijn te mijden, wijl gij later toch weder met de gevaren en ontberingen der zandzee te strijden zult hebben? Is het wijs, het geluk van éen uur te ontvlieden, omdat vele droeve dagen u verbeiden?—Halt, hier moeten wij zijn! Toon nu een vroolijk gelaat mijn vriend, want het past niet in eene treurige stemming den tempel der Charitinnen9 binnen te treden.