Note 14 — Eerste hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, tot dusverre met zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den onbeschaamden indringers, dat ik hen bij de rechters, en als dit niet hielp, bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het volk tegen hen hebben opgehitst, als die vervloekte Perzen, die eene wandeling door de stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfden avond ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen, om het lot der gestolene schriften te weten te komen. Die goede man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan mijne Benra hebt geschonken. Drie dagen later kwam hij mij zeggen, dat hij er getuige van geweest was, hoe men uwe fraaie kist, met al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter, gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in, maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging, dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eens van die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong14 te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken; ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben onttroggeld. Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch buitenland te trekken.—Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem bij het afscheid kuste, zeide hij: ‘Blijf bij ons, grootvader! Als de vreemdelingen u verontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.’—Benra laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petammon, de oogarts, uw oude mededinger, de bewerkers dezer vervloekte daad zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen, reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot Thadmor, de palmrijke rustplaats der Phoeniciërs15 in de woestijn, en van daar met Sidonische kooplieden tot Karchemis aan den Euphraat, waar zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen Sardes en Babylon vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde, daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste der Helleensche soldaten.”