Note 12 — Eerste hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Ja, dat weet ik al! De oude Hib kan hier in Perzië niets naar uw zin doen. Doch dat komt er niet op aan. Gij zijt meester en hebt dus maar te bevelen; ik ben maar knecht en moet dus gehoorzamen. Ik hoop het niet te vergeten. Nu dan, ’t was juist in de dagen, dat het groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen, en zich door het gansche volk als een troep vreemde dieren te laten aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep. ’s Avonds, terwijl de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn kleinzoon, den oudsten jongen van mijne Benra12, die een heerlijk dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten, de schoenen zijner moeder had weggestopt13, en ik lach, dat de tranen me over de wangen loopen. Want ge moet weten, dat ik Benra, die geen mijner kleinkinderen bij mij wil laten wonen, omdat ik, zoo zegt zij, ze bederf, deze poets van harte gunde. Plotseling wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af, neem met mijne lange beenen telkens drie treden in eens, en schuif den grendel terug. De deur vliegt open en eene gansche bende tempeldienaars en politie-agenten,—daar waren minstens vijftien man,—dringt het huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat ze van mij hebben willen. Pichi, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith,—gij kent hem wel,—duwt mij op zij, grendelt de deur van binnen dicht, en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat het natuurlijk niet onder mij, maar scheld hem braaf uit. Gij weet, heer, dat ik dit niet laten kan, als iets mij ergert. En nu doet hij mij,—bij onzen god Toth, die de wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer,—nu doet die melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft, mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den ring van den opperpriester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen schoft gehoorzamen, die niets minder eischte, dan dat ik hem dadelijk alle geschriften, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar de oude Hib is zoo dom niet, dat hij zich in den eersten strik den besten laat vangen, hoewel menschen, die hem beter moesten kennen, meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is.—Wat doe ik dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijne handen los; ik ren de trap op, bij vijf treden te gelijk, ruk de deur van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat, naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen ben ik de anderen zoo ver vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen, onder den arm te geven, het kleine kereltje door het venster te zetten op het balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt, en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk in de duiventil te stoppen. Daarop open ik de deur, als ware er niets gebeurd, maak Pichi wijs, dat de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat te luchten had gezet. De vent, die zoo dom is als het broertje van een nijlpaard, gelooft me, en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen hadt niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die in het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien, smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch het zwarte kastje lag ongeschonden en veilig in de duiventil. Mijn kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs!