Note 6 — Derde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Eindelijk werd men in de verte de zijden, purperrood en blauw geruite zeilen6 van schepen gewaar. Het volk hief een luiden jubelkreet aan. »Daar komen ze, daar zijn ze!” riep men, terwijl het gedrang toenam.—»Pas op, dat ge niet op dat katje trapt!”—»Minne, houd het meisje wat hooger, opdat het ook wat te zien krijge van al dat moois!”—»Heila! je zult me nog in ’t water duwen, Sebek!”—»Zie dan toch toe, Phoeniciër, die jongens werpen klissen in je langen baard!”—»Nu, nu, Helleen, je moet niet denken dat je in Egypte den baas moogt spelen, omdat Amasis je toestaat aan de oevers van den heiligen stroom te wonen!”—»Onbeschaamd volk, die Grieken! Weg met hen!” riep een tempeldienaar.—»Weg met de zwijneneters7, die verachters der Goden!” klonk het van alle zijden. Reeds dreigde men tot dadelijkheden over te gaan. Maar de politie-agenten toonden, dat zij hier niet voor niets waren. Spoedig herstelden ze orde en rust, daarbij een krachtig gebruik makende van hunne lange stokken. De groote bonte zeilen, die zeer gemakkelijk te onderscheiden waren van de blauwe, witte en bruine zeiltjes der kleine Nijlvaartuigen, kwamen intusschen al nader en nader. De menigte was in gespannen verwachting. Thans rezen de grootwaardigheidsbekleeders en de kroonprins van hunne zitplaatsen op. De koninklijke trompetters deden eene schetterende, oorverdoovende fanfare door de lucht weerklinken, en de eerste der met ongeduld verbeide barken legde voor de oevertrap aan. Het vrij lange vaartuig was rijk verguld, en voerde op den boeg het zilveren beeld van een sperwer. In het midden van de bark was een gouden baldakijn opgericht, met purperen hemel, waaronder lange matrassen lagen. Vóór in het schip zaten aan weerszijden twaalf roeiers, wier schorten met kostbare gordels waren vastgesnoerd8.