Note 1 — Derde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Lang stond zij dus, onbewust van wat om haar heen plaats greep, totdat hare oude slavin verscheen en haar naar het slaapvertrek voorlichtte. Zwijgend liet Rhodopis zich ontkleeden. Zwijgend opende zij het voorhangsel, dat een tweede slaapvertrek van het hare scheidde. In het midden er van stond eene ahorn-houten rustbank1, waarin, op een matras van zachte schaapswol, waarover witte lakens waren gespreid, onder een lichtblauw dek, een engelachtig, wonderschoon meisje sluimerde. Het was Sappho, de kleindochter van Rhodopis. De teederheid, de zachte ronding der vormen, het fijn gevormde gelaat dezer jeugdige maagd waren onberispelijk. De zalige, vreedzame lach om die lippen bewees, dat dit kind zich nog van geen kwaad bewust was, nog niets anders kende dan geluk. De eene hand der slapende, waarop het lieve hoofdje rustte, was door het dichte donkerbruine haar verborgen; de andere hield eene kleine amulet van groenen steen2, die van haar hals nederhing, losjes omvat. De lange oogwimpers bewogen zich nauw merkbaar, en over de wangen van dit bekoorlijk wezen lag een teeder rozenrood verspreid, dat onmerkbaar samenvloeide met de blankheid van het gelaat. De fijne neusvleugels rezen en daalden gelijkmatig bij iederen ademtocht. Zóo zou men de onschuld voorstellen, zóo lacht eene reine ziel, zulk een slaap schenken de goden aan de zorgelooze jeugd.