Note 12 — Derde hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden. Hun godsdienst verbood, dat éen iets voor zich alleen van den hemelschen geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen, maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers slechts een deel van het geheele volk, dan werd toch ook ieder in het bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het geheele rijk uitstortten. Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van alle bijzondere belangen tot éen groot algemeen belang, had de Perzen grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als de verpersoonlijking van het geheele rijk beschouwde. Ook mocht niemand om een bijzonder bezit vragen, doch slechts om het goede in het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den menschen tot voor- of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters stelden de pharao’s als werkelijke godheden voor, de Perzen noemden hunne vorsten slechts zonen der goden12. En toch heerschten dezen inderdaad veel onbeperkter dan genen, daar zij zich hadden weten te vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds zagen, de pharao’s, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige aangelegenheden naar haren wil wist te leiden.