Note 8 — Achtste hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Na de gewone begroetingen en vragen fluisterde de gezant den jongeling in het oor, dat hij hem alleen wenschte te spreken, en toen Rhodopis zich verwijderd had, zeide hij, in zijne verlegenheid met de ringen van zijn rechterhand spelende: »De koning zendt mij tot u. Gij hebt hem gisteren zeer verbitterd door uw kracht te toonen. Hij wil u den eersten tijd niet zien, en beveelt u daarom naar Arabië te reizen, en daar zooveel kameelen8 te koopen, als er maar te krijgen zijn. Deze dieren, die langen tijd dorst kunnen lijden, moeten het water en de levensmiddelen medevoeren voor onze legers, als wij naar Ethiopië trekken. Onze reis duldt geen uitstel. Neem afscheid van uwe vrouw en zorg,—aldus luidt ’s konings bevel—dat gij vóor de nacht valt tot vertrekken gereed zijt. Gij zult ten minste éene maand uitblijven. Ik vergezel u tot Pelusium. Intusschen wenscht Cassandane, uwe vrouw en uw kind in hare nabijheid te hebben. Gelast hun zoo spoedig mogelijk naar Memphis te gaan, waar zij, onder de hoede van ’s konings edele moeder, het veiligst zullen zijn.”