Note 9 — Achtste hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
Dit schoone gezang is ontleend aan het “Koningsboek” van Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde; of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en oud-Perzische vuurgodheid, die in het “Zend-Avesta” een heros geworden is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.