Note 10 — Achtste hoofdstuk.
Hendrik Cornelis Rogge translation
»Ik heb geene geheimen; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal, kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan!—Toen ik jong was, vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef den spot met de liefde. Nu wilde het toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea dagelijks, en, mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had, en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw, streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende het edele paar, en liet te hunner eere een lijksteen oprichten, die tot op den huidigen dag bij Sardes te zien is. Slechts deze eenvoudige woorden zijn er op vermeld: ‘Aan Panthea, aan Abradat, en aan de trouwsten van alle dienaren!’—Ziet, kinderen, wie eenmaal zulk een vrouw bemind heeft, kan voorzeker nimmermeer aan een andere denken.”10