Note 2 — IV. OUDE OÏRCONDEN.
Reading edition
Alsdan den opziender des Kasteels, met zijn volk daar af was gegaan, in de naaste plaatse, ten dienste, zoo komen daar twee, in Cellebroers gewaad, om niet bekend te werden, en geklopt hebbende aan de poorte, worden door de Meijdt, die dezen handel onbekend was, ingelaten. Bezetten straks den ingang, tot dat de anderen, die daar omtrent haar versteken hadden, te voorschijn kwamen; Stooten alzoo de Meijdt, met eenige wijnige die tot bewaringe des Kasteels gebleven waren, daar uit. Soo haast en kwam dit geruchte niet tot Vianen, off Brederode, een kloekmoedig heer, zendt gezanten aan den Bisschop, met dewelke hij tot noch toe vrede en vriendschap hadde onderhouden. 3De gezanten nadat ze vele woorden met den Bisschop hadden gewisselt, tot krakeelens toe, en haar over het aangedaan ongelijk beklaagd; doenden deze woorden bij: «dat het niet genoeg voor hem (te weten den Bisschop) en scheen, gesmoord te hebben dat twistvier, ’t welk hij onder de zijnen gehad hadden, ten zij hij ook de naastgelegene heeren door een schijn van regt tergde en tot den oorlog als uitdaagden. Zeiden vorder bereid te zijn, indien het kasteel niet weder geleverdt wierdt, dit ongelijk te verdragen, nadien het haar niet gelegen kwam de zaake met de wapenen te bepleiten.» Waarop den Bisschop tot antwoord gaff, dat hij niet eer zijn volk van den kasteele zoude lichten, voor dat Brederode de vluchtelingen geboden hadde, uit zijn land te moeten overtrekken. Evenwel zoo heeft den Bisschop, vreezende dat Brederode, zoo van zijne vrienden, als van den grave van Holland hulpe mogte verzoeken, en alzo met Krijgsluiden ’t Sticht invallen, zijn volk van het slot doen afgaan, en is met Brederode bevredigd.