Note 2 — De Tweede der Drie Geesten.
J. Kuylman translation
Doch zij maakten niet den geheelen avond muziek. Na eenigen tijd speelden ze pandverbeuren; want het is goed soms weder kinderen te zijn, en nooit beter dan op Kerstmis, toen de groote Stichter er van zelf een kind was. Laat mij eens even bedenken. Eerst speelden ze een spelletje blindemannetje. Natuurlijk, dat hoorde er zoo bij. En ik geloof evenmin dat Topper werkelijk blind was, dan ik geloof dat hij oogen in zijn schoenen had. Mijn opinie is, dat het een doorgestoken kaart was tusschen hem en Scrooge’s neef, en dat de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest dit wist. De manier waarop hij als blindeman de mollige zuster met de kanten kraag nazat, zou zelfs den lichtgeloovigsten mensch hebben doen twijfelen aan zijn blindheid. Het haardstel omver loopend, over stoelen struikelend, tegen de piano oploopend, zichzelf bijna doend stikken tusschen de gordijnen, ging hij steeds waar zìj ging. Hij wist altijd waar de mollige zuster was. Niemand anders wilde hij pakken. Al waart ge opzettelijk tegen hem aangevallen, zooals enkelen werkelijk deden, dan zou hij gedaan hebben alsof hij trachtte u te grijpen—wat een beleediging zou zijn geweest van uw inzicht—en zou dan onmiddellijk daarop zijwaarts afgeslagen zijn in de richting van de mollige zuster. Zij gilde dikwijls dat het niet eerlijk ging, en dat ging het ook werkelijk niet. Doch toen hij haar ten laatste vatte, en toen, niettegenstaande al het geritsel van de zijde die zij droeg en haar snelle wendingen om hem heen, hij haar in een hoek kreeg vanwaar geen ontsnappen meer mogelijk was, toen was zijn gedrag allerlaagst. Want zijn voorwenden haar niet te kennen; zijn voorwenden dat het noodig was haar aan te raken, en zich verder van hare identiteit te vergewissen door een zekeren ring aan haar vinger te steken, en een zekeren ketting om haar hals te hangen, was laag en monsterachtig! Zonder twijfel zeide zij hem wat zij er van dacht, toen een andere blindeman in functie was, en zij zoo vertrouwelijk achter de overgordijnen zaten. Scrooge’s nicht deed niet mee aan ’t blindemannetje spelen, doch zij werd in een gemakkelijken stoel gezet, met een voetebankje onder de voeten, in een gezellig hoekje waar de Geest en Scrooge vlak achter haar stonden. Doch ze deed wèl mee aan het pandverbeuren en liefde haren lief dat het te bewonderen was, met al de letters van het alphabet.2 En zeer bedreven, en versloeg hare zusters totaal, tot innig genoegen van Scrooge’s neef; en toch waren het slimme meisjes, zooals Topper had kunnen getuigen. Ook in het spel Hoe, Waar en Wanneer toonde zij zich. Er waren daar misschien een twintig jonge en oude lieden bijeen, doch allen speelden, en Scrooge deed mede; want, door de belangstelling die hij voelde voor wat er gebeurde, geheel vergetend dat zijn stem onhoorbaar was voor hunne ooren, zeide hij soms zeer luid wat hìj geraden had en ried het zeer dikwijls goed ook, want de scherpste Whitechapel-naald, gegarandeerd de draad in het oog niet te doen slijten, was niet scherper dan Scrooge.