Note 1 — Whitooweek, de Kluizenaar.
Cilia Stoffel translation
Whitooweek heeft nog iets heel verrassends, iets dat eigenlijk geen gewoonte genoemd kan worden, maar waarschijnlijk een zeldzame ontdekking is van een of twee dieren hier of daar, die vindingrijker zijn dan hun makkers. Evenals de eider-eenden1 en de beer en de bever, past Whitooweek soms een ruw soort van heelkunst toe om zijn wonden te verbinden. Toen ik twintig jaren geleden rustig bij een beek aan den zoom der bosschen in Bridgewater zat, fladderde er plotseling een houtsnip ’t open terrein op naar een plek op den oever, waar duidelijk, vanwaar ik zat te kijken, een lichte strook dikke modder en klei te zien was. Het was in ’t begin van den jachttijd, de jagers waren op ’t pad in de streek, en mijn eerste indruk was, dat dit een gewonde vogel was, die, nadat hij was aangeschoten, ver gevlogen had en nu uit de struiken naar ’t water was gekomen om te drinken of zijn wond te baden. Of dit al dan niet zoo was, ik kan er slechts naar gissen; maar de vogel deed wonderlijk in ’t volle daglicht, en ik kroop naderbij, tot ik hem duidelijk kon zien aan den anderen kant van de beek, ofschoon hij me nog te ver weg was om er volkomen zeker van te zijn, wat al zijn bewegingen beteekenden.