Note 2 — Whitooweek, de Kluizenaar.
Cilia Stoffel translation
Wie in de avondschemering langs den boschzoom sluipt, zal een flauw pienk, pienk, vlak bij zich hooren, en als hij zich omkeert om te luisteren waar het geluid vandaan komt, zwiert er snel in schuine lijn een houtsnip boven zijn hoofd en begint spiraalsgewijze naar den hemel te kringen, terwijl hij in de grootste opwinding klokt en twettert. Het is maar een armzalig soort liedje, niet te vergelijken met dat van den ovenvogel2, of de grasplevier, die in de schemering net zoo doen, en Whitooweek moet zijn stem te hulp komen met ’t geklep van zijn vleugels en de lucht die er door gonst, zoodat ’t doet denken aan de schrille stem van een riethalm bij winderig weer; maar het klinkt ongetwijfeld lieflijk genoeg voor het bruine wijfje, dat roerloos vlak bij ons staat te gluren en te luisteren naar de voorstelling. Op een voor hem geweldige hoogte tolt Whitooweek een poosje als bezeten rond en dan herhaalt hij zijn spiraal naar beneden, al dien tijd klokkend en twetterend, tot hij de boomtoppen bereikt, waar hij recht boven zijn wijfje zijn vleugels opvouwt en als een schietlood neervalt. Maar ze verroert zich nog niet, want ze weet best wat er komt, en nog geen paar voet van den grond spreidt Whitooweek zijn vleugels wijd uit om zijn val te breken en komt rustig vlak naast haar neer. Daar blijft hij even heel stil, alsof hij uitgeput was; maar het volgende oogenblik stapt hij met uitgespreide vleugels en staart als een wilde kalkoensche haan om haar heen, laat al zijn goede eigenschappen op zijn voordeeligst uitkomen, en is op zijn vertooningen zoo ijdel als een pauw in de lentezon. Weer is hij rustig; er klinkt een zwak pienk, pienk, alsof het wel een mijl weg was; en weer zwiert Whitooweek op snelle wieken schuin omhoog om zijn extatische bewegingen te herhalen.