Note 2 — Hoe men ’t bekijkt.
Cilia Stoffel translation
Wanneer je den boschweg volgde, kwam je plotseling aan een kleine open plek met een beek en een wild weitje en een overhangende rots, geheel met varens bedekt. De weg kronkelde hier, zooals een weg altijd doet wanneer hij langs een mooi plekje komt, alsof hij nog eens omkeek. Er stond een oud huisje onder de overhangende rots, waar een paar schuwe, stille kinderen woonden; en dit was de eenige menschelijke woning aan den weg, drie mijlen ver. Vlak er achter, op een punt waar het kreupelhout het dichtst groeide, sloop onopgemerkt een karrepad van den boschweg af en bracht je naar een meertje in de groote bosschen, op een plaats waar eeuwen geleden de bevers een dam hadden gemaakt en een kolk om hun hout ’s winters weg te bergen. Wanneer je een langen stok nam en hier diep in de modder wroette, kon je soms een afgeknaagd stuk vinden van het hout, dat den bever tot voedsel diende, waarvan de kegelvormige uiteinden duidelijk de indrukken van de sterke tanden vertoonden en de bast nog versch was, als wachtte ze om opgegeten te worden wanneer de kleine eigenaar terug zou komen; want daarvoor knaagde hij ’t af en borg hij ’t op, tallooze jaren geleden. Maar heel weinigen hebben daar echter ooit aan gedacht; zij die op deze plek kwamen wijdden al hun aandacht aan de katvisch2 die krioelde in de oude voorraadschuur van den bever en die goed beet op donkere dagen. Om den heelen, ouden dam heen en aan weerskanten van de boschrijke vallei stroomaf liep een rotswand; en tusschen de mossige met varens bedekte rotsen van dien wand wees een van de schuwe kinderen, met wie ik vriendschap had gesloten, me een boogvormigen doorgang, die gevormd werd door twee groote, tegen elkaar leunende steenen.