Note 6 — Hoe men ’t bekijkt.
Cilia Stoffel translation
Er is nog een eigenaardige gewoonte van den waschbeer, die hem van den beer onderscheidt en van alle andere dieren. Dat is zijn gewoonte om al wat hij vangt in ’t water te wasschen, of liever te spoelen. Het doet er niet toe wat hij vindt om te eten—muizen, kuikens, wortels, larven, vruchten—alles eigenlijk, behalve visch, zal hij meenemen naar ’t water, als hij ergens in de buurt van een meer of een beek is, en terdege afspoelen, voordat hij ’t opeet. Waarom hij dat doet—daar is slechts naar te raden. Het is niet om ’t schoon te maken, want veel er van is al schoon; niet om het zachter te maken, want mossels6 zijn vanzelf al zacht genoeg, en zijn kaken zijn wel zoo sterk om de hardste schalen stuk te maken; toch spoelt hij ze evengoed eer hij ze opeet. Mogelijk is het om de dingen den waterigen smaak van visch te geven, waarop hij dol is; nog waarschijnlijker is het een overblijfsel, evenals het ronddraaien van een hond eer hij gaat liggen, of als de onnoodige trek van de meeste vogels, de erfenis van een vergeten voorzaat, die een reden had voor de gewoonte en op aarde woonde lange, lange jaren voordat er een mensch was om op hem te letten en zich af te vragen waarom hij het deed.