Note 3 — Hoe men ’t bekijkt.
Cilia Stoffel translation
Als we ons troepje dien eersten avond van hun rondzwerven, voordat de strooptochten begonnen en de honden ze uiteenjoegen, hadden kunnen volgen, dan zouden we begrepen hebben waarom Mooweesuk een broertje van den beer genoemd wordt. Wanneer hij draaft, loopt hij net als een hond op zijn teenen, en bij ontleding doet hij denken, vooral in de ontwikkeling van schedel en oorbeenderen, aan den voorwereldlijken stamvader van hond en wolf beide; maar overigens is hij in al zijn gewoonten een zakuitgave van Mooween. De moeder gaat steeds voorop, evenals de beer, en de jongen volgen in een rij achter elkaar, terwijl ze alles opmerken waar de moeder hun aandacht op vestigt. Ze zitten op hun dijen en loopen op hun heele voetzool, evenals een beer, terwijl ze met hun achterpooten een prent achterlaten als van een miniatuurkindje. Alles wat eetbaar is in de bosschen wekt hun eetlust op, evenals het dat van den gulzigen zwerver in zijn zwarte vacht doet. Nu roeren ze in een mierennest, dan weer grabbelen ze in een vermolmden boomstam naar larven en kevers. Wanneer ze zoet sap of wat stroop in een oude kampplaats kunnen vinden, doopen ze er hun voorpooten in en likken ze dan schoon, net als Mooween. Nu eens trekken ze uit op bessen van wintergroen3, dan weer op boschmuizen. Ze ontdekken een ondiepte in de beek, als de zuigvisschen4 op den trek zijn, en wachten daar tot de groote visschen voorbijkomen; dan wippen zij ze met hun voorpooten uit het water en scharrelen er haastig achteraan. Van die visscherij gaan zij aan ’t uitzuigen van watergras, of kikkers en schildpadden uit de modder delven; en de schaal van de schildpad wordt kapot gemaakt door er een steen op te laten vallen. Nu sluipen ze een kippenhok binnen en gaan er met een kuiken van door; en als ze dit verorberd hebben, komen ze weer in den tuin terug om een pompoen open te breken en de zaden tot nagerecht te nemen. Dan zien ze in het meertje een muskusrat voorbijzwemmen met een mossel in haar bek en ze gaan haar langs den oever achterna; want Musquash heeft een eigenaardige gewoonte om op vaste plaatsen te gaan eten—een plat rotsblok, een aangespoeld stuk hout, een bepaalden graspol waar hij de sprieten van afgeknaagd heeft—en verzamelt vaak een stuk of wat schelpen en mossels, eer hij gaat dineeren. Mooweesuk loert net zoo lang, tot hij de plaats gevonden heeft; en als Musquash dan verdwenen is om nog meer schelpen te halen, gaat hij er van door met al wat hij op den disch aantreft. Ettelijke keeren heb ik aan meren en rivieren het verslag van dit kleine blijspel gelezen. Ge kunt de plaats altijd herkennen, waar Musquash eet, door het stapeltje mosselschelpen in ’t water stroomaf; en soms vindt ge de prent van Mooweesuk die naar de plek is toegeslopen, en als ge ze volgt, zult ge merken waar hij de schelpen gebroken heeft die Musquash had verzameld.