← Table of contents
Een Broertje van den Beer

Note 2 — Een Geniale Houtsnip.

Cilia Stoffel translation

Ik had mijn eigen verklaring van de ongelooflijke handelwijze, namelijk, dat de houtsnip een gebroken poot had en hem met wijs overleg in een spalk van klei had gezet om de gebroken botjes op hun plaats te houden, tot ze weer samen zouden zijn gegroeid; maar natuurlijk hield ik dit voor me, wel wetend dat niemand aan die veronderstelling geloof zou slaan. Jarenlang deed ik nauwkeurig navraag bij jagers en ik vond er twee, die zeiden dat ze houtsnippen hadden geschoten, waar eens de poot van gebroken was geweest en weer genezen. Voor zoover ze zich herinneren konden, was de poot in beide gevallen mooi recht genezen in plaats van aan den eenen kant naar buiten te steken, zooals de poot van een kuiken doet, als hij gebroken is geweest en ze hem vanzelf weer hebben laten aaneengroeien. Ik onderzocht honderden houtsnippen aan de markt in verschillende oorden en vond er een, wier poot eens door een kogel gebroken was en toen prachtig genezen. Er waren duidelijke sporen van gedroogde modder aan de breuk; maar deze zag ik ook aan den anderen poot bij de teenen, en het toonde slechts dat zij op weeke plaatsen voedsel had gezocht. Dit bewees alles nog niets voor een buitenstaander, en wat ik gezien had hield ik voor me tot den vorigen winter, twintig jaren later, toen de bevestiging onverwachts kwam. Ik had over dieren gesproken voor een vereeniging te Bridgeport, toen een heer, een advocaat overal in ’t land goed bekend, naar me toekwam en me vol vuur van een eigenaardige vondst vertelde, die hij den vorigen herfst gedaan had. Toen hij eens met een vriend op jacht was, schoten ze een houtsnip, die, door den hond geapporteerd, een stuk harde klei aan een van haar pooten bleek te hebben. Nieuwsgierig wat dat beteekende, klopte hij de klei er met zijn pennemesje af, en ontdekte een gebroken poot, die toen bijna genezen was en zoo recht als ooit. Een paar weken later zou de vogel, wanneer hij geleefd had, stellig zelf de spalk hebben weggenomen en zou er niets zijn geweest om iets ongewoons aan hem te verraden. En zoo geef ik dan eindelijk mijn waarneming, daar er nu een bewijs voorhanden is, niet voor een nieuwe of oude gewoonte van Whitooweek—want hoe ver deze vreemde wetenschap onder de houtsnippen en de steltloopers verbreid is, kan geen mensch zeggen—maar eenvoudig om te toonen, hoe weinig wij van het innerlijke leven van den kluizenaar afweten, en eigenlijk van alle wilde vogels, en hoeveel er nog te ontdekken is, wanneer we ’t geweer voor den kijker op zij zullen leggen en het wonderlijke leven leeren begrijpen, dat overal om ons heen onzichtbaar zijn gang gaat 2.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings