Note 2 — BEVOLKING.
Reading edition
Het middel van geldwisseling bestond uit goud dat men woog, maar eene gestempelde munt bestond er niet. Het grootste gewigt werd een gael genoemd; dit vertegenwoordigde 1¼ dollar in zilver en kwam bijna met het Chinesche ons of taïl overeen; een gael bestond uit twee tinga, een tinga uit twee sapaha2; een sapaha was in sangraga verdeeld; dit laatste, een zeer kleine boon, was het kleinste gewigt. Men rekende met steenhoopjes van verschillende grootte. De maten bestonden uit den dipa (6 voet), den dancal (palm), den tumuro (span), den sangdamac (breedte van de hand), den sangdati (breedte van den vinger). Op die wijze droeg, even als onder vele ruwe natiën, ieder zijn maat bij zich.