Note 1 — XXIII. FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG.
C. M. Mensing translation
Er stonden geene twee draken op schildwacht aan de poort dezer woning, gelijk men in een tooversprookje doorgaans de onrechtvaardig gekerkerde onschuld vindt bewaken; maar behalve een verwrongen gezicht, dat uit de lijst boven de deur uitkeek, was daarboven nog een monsterachtig arabesk-werk van roestig ijzer, naar de versteening van een loofpriëel gelijkende, dat in scherpe punten en schroefsgewijze krullen uitliep, en aan elke zijde een grooten domper1 droeg, die onheilspellend schenen te zeggen: “Wie hier binnentreedt, laat het licht achter!” Er waren geene tooverletters op den drempel gebeiteld, maar het huis zag er nu zoo verwaarloosd uit, dat de jongens het hek en de stoep met krijt bekrabbelden—vooral om den hoek waar de zijmuur was—en spoken op de staldeur teekenden; en daar Towlinson hen somtijds wegjoeg, maakten zij tot wraak portretten van hem, met ooren die zijdelings uit zijn hoed uitgroeiden. Binnen de schaduw van dat dak hield alle gerucht op. De troep horenblazers, die eens in de week des morgens de straat doorkwam, blies voor die vensters nooit een enkelen toon; al zulke lieden, tot zelfs de half simpele orgeldraaier, schuwden het als eene plaats waar niets te hopen was.