Note 1 — I. DOMBEY EN ZOON.
C. M. Mensing translation
“Och hemel!” zeide Dombey, knorrig opstaande, “die ontroering is immers onvoorzichtig en kan koorts veroorzaken! Het zal misschien best wezen, dat ik dokter Peps1 verzoek om nog eens boven te komen. Ik zal maar eens naar beneden gaan. Ik behoef u wel niet te verzoeken,” vervolgde hij, terwijl hij een oogenblik bij het bedje staan bleef, “om bijzonder op dezen jongen heer te passen, jufvrouw.…”—“Blockitt, mijnheer!” fluisterde de baker, een altijd glimlachend, versleten fatsoenlijk portret, welke zich niet aanmatigde om haar naam als eene daadzaak op te geven, maar dien slechts vriendelijk in bedenking gaf.—“Op dezen jongen heer, jufvrouw Blockitt!”—“Neen, zeker niet, mijnheer! Ik weet nog wel, toen de jonge jufvrouw Florence geboren werd.…”—“Ja wel, ja wel!” zeide Dombey, zich over het bedje heen buigende, en te gelijk zijne wenkbrauwen eenigszins samentrekkende. “Florence was goed en wel, maar dit is iets anders. Deze jonge heer heeft eene bestemming te vervullen. Eene bestemming, kleine jongen!” Terwijl hij aldus het wichtje aansprak, bracht hij een der handjes aan zijne lippen en kuste het; toen, vreezende, naar het scheen, dat dit bedrijf zijne deftigheid te na mocht wezen, ging hij tamelijk stijf en gedwongen heen.