Note 1 — VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Reading edition
Eensklaps gevoelt de ruiter bij een zeer sterken schok een stoot aan zijn knie; een plotselinge duizeling overvalt hem, en....—Neen, Gode zij dank! dat is goed afgeloopen; dat had veel erger kunnen zijn. De moedige harddraver—ofschoon anders een dood mak paard—heeft aan de hand die hem bestuurde waarschijnlijk geen meesterhand herkend, en, hoe het gekomen is weet Helmond niet, maar toen hij een weinig van den schrik bekomen, opstaande van den bermrand1 waarin hij gevallen of geworpen was, naar het been tastte ’twelk hem wat zeer deed, toen zag hij ginder nabij de hoeve van boer Dirksen, nog den harddraver met het schuingezakte geelbonte paardedek voortrennen, en straks, schier rakelings langs den hekpost heen, het erf van zijn meester binnenhollen.