Note 4 — VIII. De zonnige tijd.
Reading edition
Dezelfde begaafdheid, van zeer ongelijksoortige bestanddeelen dooreen te weven en tot een wonderschoon geheel te verwerken, merken wij ook in den “Koopman van Venetië” op. De zoo verschillende geschiedenissen van Antonio en Shylock, van Portia en Bassanio, van Jessica en Lorenzo zijn met elkander in het nauwste verband gebracht. Gegevens voor het beloop der geschiedenis leverde hem een oud verhaal van Giovanni Fiorentino, waaruit in de aanteekeningen bij het stuk het noodige medegedeeld is4; hij wijzigde dit, daar het niet geheel te gebruiken was, door er de keuze tusschen de drie kastjes in te vlechten, waarvan hij het denkbeeld aan een oude novellenverzameling, die ook Fiorentino’s bron geweest was, de Gesta Romanorum, ontleende. Meer dan den gang der geschiedenis leverden hem zijn bronnen niet op; hij vond er Antonio en Shylock, Portia en Bassanio in, maar de prachtige karakterteekening is zijn eigen werk; hij dacht Jessica en Lorenzo, ook Gratiano en de andere vrienden van Antonio uit, evenzoo de twee Gobbo’s, en natuurlijk ook de schaking van Jessica door Lorenzo, die van zooveel belang is om het karakter van Shylock te doen uitkomen en zijn handelingen te verklaren; hij wist Shylock een jood te doen zijn, jegens de christenen in het algemeen vervuld van den haat, dien deze zelf gedurende de middeleeuwen door vervolging en verschopping bij de joden hadden aangekweekt, en bovendien uit geldgierigheid in het bijzonder op den koopman Antonio gebeten, die door welwillendheid jegens anderen hem benadeelde. Uit dezen haat wordt het begrijpelijk, dat het hem een wellust is, een gezegeld stuk in handen te hebben, waardoor hem de kans, hoe gering aanvankelijk ook, aangeboden wordt, van eens over het lot van den gehaten christen te kunnen beschikken. Had in den beginne alleen de gedachte aan mogelijke wraak hem gestreeld, nu ongeluk op ongeluk zijn schuldenaar treft, en zijn dochter, door een christen geschaakt, zijn dierbare dukaten en edelgesteenten met christenen verkwist, is zijn wrok zoo fel, dat hij dien, alle vermaningen tot menschelijkheid terugwijzend, en trots zijn geldgierigheid zelfs de voordeeligste aanbiedingen versmadend, met het leven van den christen wil verzadigen. De gloed, waarmede dit alles geschilderd is, de onpartijdigheid des dichters, die niet verheelt, wat de joden, als paria’s der maatschappij, te lijden hadden, moeten ons niet op het dwaalspoor brengen, de teleurstelling van Shylock niet als een tragisch voorval doen beschouwen, en in hemzelf geen martelaar doen zien, die door spitsvondige redeneeringen zijn recht moet derven; wij moeten niet door diepzinnige wijsgeerige redeneeringen gaan opsporen, welke verborgen waarheden de dichter in dit stuk op bedekte wijze heeft willen verkondigen; want de blijkbare moraal van het tooneel in de gerechtszaal is, dat, wie een kuil voor anderen graaft, er ten slotte zelf in valt; een moraal, die in een blijspel volkomen op haar plaats is, zoodat zeer terecht onmiddellijk daarna het stuk op schertsenden toon voortgaat en ten einde wordt gebracht. Wie goed in den geest van het stuk wil doordringen, moge het lezen en herlezen, daarbij zich goed voor den geest stellend, hoe in Shakespeare’s tijd de toestand der joden in de maatschappij was; hij zal bij het opmerken der tallooze schoonheden veel genieten, en tevens waarnemen, dat de dichter in meer dan één opzicht zijn tijd vooruit was; doch hij geve niet te veel toe aan de bespiegelingen van velen, over de wijsgeerige grondbeginselen, welke Shakespeare op geheimzinnige wijze er in predikt. Trouwens in vele gevallen doet men beter, zich aan Shakespeare zelf te houden en zich niet door zijn verklaarders te laten leiden.