Note 1 — De triasperiode.
Reading edition
Indien men eene zoutmijn binnentreedt, geraakt men steeds onder den indruk van het vreemde voorkomen dier onderaardsche grotten. Hier en daar verbreeden zich de gaanderijen tot groote kamers of holen; in het midden vindt men dikwijls eenen kleinen vijver; de wanden en gewelven schitteren door duizenden zoutkristallen. Die zoutkamers zijn wel de merkwaardigste voortbrengselen dier formaties en maken eenen vreemden indruk, als men ze bij fakkellicht bezoekt.1