Note 1 — De ontwikkeling van het leven.
Reading edition
De eerste visschen hadden echter niet den fraaien vorm, die ons thans zoo bekoort. Ook zij zijn veel vooruitgegaan. De oudste versteende visschen, in de devonische formatie1 gevonden, zijn van beenschilden voorzien, en heeten glansschubbigen (ganoïdeën); hun beenderstelsel was onvolkomen en hun lichaam was door groote platen en beenige schubben beveiligd, die eene schitterende kleurenpracht vertoonden. Zijn het wel visschen, of zijn het niet familieleden van de schaaldieren? Langen tijd is over die vraag getwist, totdat in het jaar 1863 gebleken is, dat zij schubben bezitten. Het is trouwens niet te verwonderen, dat uitstekende natuuronderzoekers die laag ontwikkelde visschen tot de ongewervelde dieren brachten. Immers gewervelde dieren moeten wervels bezitten, en de eerste fossiele visschen vertoonen evenmin sporen van wervels als de amphyoxus uit onze zeeën. Bij de gewervelde dieren zijn de ledematen door beenderen aan de wervelkolom verbonden; de eerste fossiele visschen vertoonen geen spoor van dergelijke beenderen of een inwendig been; zij hebben alleen één of meer platen, die een schild vormen.