Note 11 — De krijtperiode
Reading edition
Al die krijtlagen vormen in het bekken van Parijs, om de tertiaire lagen, die in het middelpunt gelegen zijn, eene uitgestrekte, golvende, hoefijzervormige vlakte, waarvan de beide beenen op de Normandische kust uitkomen, het ééne tusschen Dieppe en Tréport, het andere tusschen Boulogne en Calais. Die twee krijtstrooken zetten zich door het Kanaal voort, en komen weer op de Engelsche kust voor den dag, waar zij de witte krijtrotsen vormen, aan weerszijden van Dover. Engeland draagt daarom den naam van Albion. Het krijt wordt daar ook gevonden rondom de tertiaire lagen, waarop Londen gelegen is, en vormt daar eene heuvelenrij, die den naam van Downs draagt. Al die streken, Orleans, Parijs, Dieppe, Londen, waren dus in dien tijd onder water bedolven. In de omstreken van Parijs, te Meudon, vindt men, boven het witte krijt, eene gele kalksteen, bestaande uit kleine, ronde korrels en overblijfselen van fossielen, bekend onder den naam van pisolithische steen; die steen, die het bovenste bezinksel is der krijtperiode, bevat een mengsel van stoffen uit de krijtformatie en de tertiaire formatie. Men vindt daar onder andere, ananchiten11, cerithiden11, die vergeleken kunnen worden met het cerithium11 gigantëum, dat in de Parijsche tertiaire formatie in groote hoeveelheden voorkomt.