Note 92) — II.
Reading edition
In 1801, toen te Parijs reeds een oogenblik over Schimmelpenninck werd gedacht, had de gezant Sémonville, een fijn waarnemer van ons volkskarakter, iets dergelijks al voorspeld. Er is geen man in het land, schrijft hij aan Talleyrand, dien de Bataven gaarne met een eminenten titel aan hun hoofd zullen zien; dan nog liever een stadhouder terug. „Une famille princière froisserait moins l'amour-propre. Le peuple s'acharnerait à renverser celui que la veille il aurait vu son égal. Ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre président” (Gedenkstukken III, 183).