Note 23) — I.
Reading edition
Zie de volgende stukken: Repelaer (lid der grondwetcommissie van 1814), Mei 1795,
Gedenkstukken
II, 831; Aylva (lid der grondwetcommissie van 1814), Juli 1795 (
Gedenkstukken
II, 839) en voorjaar 1799 (
Ontstaan der Grondwet
I, bl. XXXIV); Lampsins (lid der grondwetcommissie van 1814), Sept. 1795 (
Ged.
II, 860), Oct. 1795 (II, 869), Juni 1796 (II, 920); van Heeckeren van Suyderas, Juli 1797 (II, 960); Tollius, 1797 (III, 869); van Heeckeren van Enghuizen en anderen, Juli 1799 (III, 990); Pieter Ulbo Rengers, Juli 1799 (III, 997). Het verst van allen gaat M. L. d'Yvoy, die reeds in Sept. '95 het merkwaardig advies geeft dat de Prins de patriotten, die het niet eens blijken te kunnen worden over hun Nationale Conventie, de loef zal afsteken door zich bereid te verklaren uitvoerende macht te zijn in een ondeelbaren Nederlandschen staat, naast een wetgevende macht bestaande uit een adelshuis en een huis der gemeenten, het laatste direct gekozen door alle bezitters van eenig vast goed of effect op het land zonder onderscheid, in zestien kiesdistricten van onderling gelijke bevolking. De tegenpraestatie van het Nederlandsche volk zal moeten bestaan in de opdracht aan den Prins van een zeer uitgebreide uitvoerende macht, minstens gelijk aan die van den koning van Groot-Brittanje (
Ged.
II, 863; vgl. een vroeger stuk van hem, Juli 1795, aldaar 841). Het minst ver van al gaat van de Spiegel, die doet alsof er geen Revolutie geweest is en zich beperkt tot de geringe hervormingen die hij reeds twintig jaar geleden had voorgestaan (zie
Ged.
III, 1037 en 1080, en
Vreede's van de Spiegel
IV, 456; en voor de kritiek:
Ontstaan der Grondwet
I, bl. XXXII), doch zijn punten van ampliatie der Unie vinden dan ook bij velen zijner partijgenooten een ongunstig onthaal: zie b.v. van Heeckeren van Enghuizen aan den Erfprins, 19 Dec. 1799 (
Ged.
III, 1100): „Ik heb een stuk gelezen door van de Spiegel opgesteld; zeer zoude ik twijfelen of het voldoening zal geven. Mogelijk wel aan oude costumiers. Daar is na mijn inzien geen kracht in, en de oude langdradigheid is er in gebleven. Dikmalen hebbe ik hooren zeggen dat de Erfstadhouder zich uitgelaten heeft om niets meer te willen hebben, als hij gehad heeft. Maar hier is het mogelijk het moment om toepasselijk te maken, dat de vorst voor het volk gesteld is en niet het volk voor den vorst...”.
Wij noemden hier niet de verschillende stukken van Gijsbert Karel, wiens ontwikkeling een afzonderlijke bespreking vereischt welke bij een ander hoofdstuk wordt gegeven.