Note 2 — HOOFDSTUK XIV.
Gerard Keller translation
„Neen, ik zeg u, dat het zoo niet zal zijn,” zeide de geneesheer. „Saladin wordt van alle kanten gevleid; de verbonden vorsten van deze tegen hem beraamde onderneming hebben hem zulke voorstellen tot verzoening en vrede gedaan, dat het, in andere omstandigheden, met zijne eer bestaanbaar geweest zou zijn, die aan te nemen. Anderen hebben bijzondere aanbiedingen voor hunne eigen rekening gedaan, om hunne troepen uit de legerplaats der koningen van Frangistan te doen terugtrekken, en zelfs hunne armen ter verdediging van den standaard des profeets te leenen. Maar Saladin wil van een dergelijken baatzuchtigen en verraderlijken afval niet gediend zijn. De Koning der Koningen wil alleen met den Leeuwenkoning onderhandelen. Saladin wil alleen met Melek Ric een verdrag sluiten, en met hem zal hij overeenkomen als met een vorst, of met hem vechten als met een held. Aan Richard zal hij uit eigen beweging voorwaarden toestaan, die alle zwaarden van geheel Europa hem noch door geweld noch door schrik zouden afgedwongen hebben. Hij zal eene vrije bedevaart vergunnen naar Jeruzalem en alle plaatsen, waar de Nazareërs voorwerpen tot vereering vinden, ja hij zal in zoo verre zijn rijk met zijn broeder Richard deelen, dat hij Christen bezettingen in de zes sterkste steden van Palestina en zelfs eene in Jeruzalem zal toelaten, en die onder het onmiddellijk bevel der officieren van Richard laten, wien hij vergunnen zal den naam van Bescherm-Koning van Jeruzalem te dragen. Nog meer, hoe vreemd en ongeloofelijk gij het ook moogt rekenen, verneem, heer ridder—want aan uwe eer kan ik zelfs dat bijna ongeloofelijk geheim toevertrouwen—verneem, dat Saladin een zegel wil drukken op deze gelukkige vereeniging tusschen de dappersten en edelsten van Frangistan en Azië door eene Christen maagd, eene bloedverwante van Koning Richard, en bekend onder den naam van lady Edith van Plantagenet2, tot den rang van zijne koninklijke gemalin te verheffen.”