Note 1 — HOOFDSTUK VIII.
Gerard Keller translation
„Geneesheeren,” zeide hij, „zijn even als de artsenijen, die zij gebruiken, dikwijls nuttig, al zijn de eersten ook door geboorten of zeden de laagste der menschen, even zoo als de laatste in vele gevallen uit de gemeenste stoffen getrokken worden. Men mag den bijstand van heidenen en ongeloovigen in den nood gebruiken, en er is grond om te gelooven, dat eene reden waarom zij op de aarde geduld worden is, dat zij ten dienste van ware Christenen strekken mogen—dus maken wij wettig slaven van de heidensche gevangenen. Voorts lijdt het geen twijfel, of de eerste Christenen maakten gebruik van de diensten van onbekeerde heidenen.—Zoo waren in het schip van Alexandrië, waarin de gezegende apostel Paulus naar Italië overstak, de schippers zonder twijfel heidenen; maar wat zeide de heilige man, toen hun dienst vereischt werd—nisi hi in navi manserint, vos salvi fieri non potestis1—Voorts zijn de Joden even goed ongeloovigen ten opzichte van het Christendom, als de Mahomedanen. Maar er zijn weinig andere geneesheeren in het kamp dan Joden, en deze worden zonder eenige ergernis of bedenking gebruikt. Dus kunnen de Mahomedanen in die hoedanigheid voor hun diensten gebezigd worden—quod erat demonstrandum, hetgeen te bewijzen was.”