← Table of contents
De stille kracht

Note 1 — ZEVENDE HOOFDSTUK.

Reading edition

Doddy was opgetogen, in de wolken, verheerlijkt, toen Van Oudijck haar zeide, dat Addy hare hand had gevraagd, en toen zij hoorde, dat mama hare voorspraak was geweest, omhelsde zij Léonie onstuimig, zich, met de spontane bewegelijkheid van haar karaktertje, weêr overgevende aan de aantrekking, die Léonie lang op haar had uitgeoefend. Dadelijk nu vergat Doddy al wat haar gehinderd had in de te groote intimiteit tusschen mama en Addy, als hij hing over haar stoel en met haar fluisterde. Zij had wat zij nu en dan had gehoord, nooit geloofd, omdat Addy haar altijd verzekerd had, dat het niet waar was. En zij was zoo gelukkig, omdat zij met Addy, samen met hem, op Patjaram zoû wonen. Want Patjaram was voor haar het ideaal van huiselijkheid: het groote huis, gebouwd aan de suikerfabriek, vol zonen en dochteren en kinderen en beesten, op wie de zelfde goedigheid en hartelijkheid en verveling was neêrgezeefd, met achter die zonen en dochteren de aureool van Solosche afkomst, was haar het ideaal van verblijf, en verwant voelde zij zich aan al die kleine tradities: de sambal, gestampt en gewreven door een hurkende baboe achter haar stoel, terwijl zij rijsttafelde, was haar het hoogste van verhemelte-genot; de races te Ngadjiwa, bijgewoond door de loome lengang-lengang-stoet1 van al die vrouwen, met de baboes achter zich, dragende zakdoek, flacon, binocle, was haar het non-plus-ultra van elegance; zij hield van de oude Raden-Ajoe Douairière, en aan Addy had zij zich geschonken, geheel, zonder voorbehoud, vanaf het eerste oogenblik, dat zij hem gezien had: toen zij een klein meisje geweest was van dertien, hij een jongen van achttien. Om hem had zij altijd tegengestribbeld als papa haar naar Europa had willen zenden, naar een Brusselsche kostschool; om hem had zij nooit naar iets anders verlangd dan Laboewangi, Ngadjiwa, Patjaram; om hem zoû zij te Patjaram leven en sterven. Om hem had zij gekend al de kleine jalouzietjes, als hij danste met een ander; al de groote jalouzieën, als haar meisjeskennissen haar zeiden, dat hij verliefd was op die en het hield met die ander; om hem zoû ze die ijverzuchtjes en ijverzucht altijd kennen, haar leven lang. Hij zoû haar leven zijn, Patjaram haar wereld, de suiker haar belang, omdat het het belang van Addy was. Om hem zoû ze verlangen naar veel kinderen, heel veel kinderen, die wel bruin zouden zijn—niet blank als papa en mama en Theo—maar bruin, omdat haar eigen moeder bruin was, zij even donzig bruin, Addy mooi brons Moorsch bruin, en naar het voorbeeld, gegeven op Patjaram, zouden haar kinderen, heel veel kinderen, er opgroeien in de schaduw van de fabriek, en in al hun belang van en voor suiker, om later de velden te planten, en suikerriet te malen, en het fortuin van de familie weêr op te halen, dat het schitteren zoû als vroeger. En zij was zoo gelukkig, als zij geluk maar zich voor kon stellen, ziende haar ideaal van verliefd meisje zoo bereikbaar dichtbij: Addy en Patjaram; en geen oogenblik bevroedende hoe haar geluk was geworden, door het woord van zelfhypnoze, dat Léonie, bijna onbewust, had geuit op een uiterste oogenblik. O, nu behoefde zij niet meer de donkere hoekjes, de donkere sawahs te zoeken met Addy; nu omhelsde zij hem telkens in het volle licht, zat zij stralende tegen hem aan, voelende zijn warme mannelijf, dat haar toebehoorde en spoedig geheel; nu dweepten hare oogen, zichtbaar voor iedereen, naar hem op, daar zij niet de kuische kracht meer had zich te verbergen voor de menschen: nu was hij van haar, nu was hij van haar! En hij, met zijn goedige gelatenheid van jongen sultan, hij liet zich streelen zijn schouders en knieën, hij liet zich zoenen en aaien over zijn haar, hij liet haar arm om zijn hals, alles aannemende als een hem verschuldigde schatting, gewend aan die schatting van liefde der vrouwen, gekoesterd in liefkoozing, van klein mollig jongetje af, van dat hij gedragen werd door Tidjem, zijn baboe, die verliefd op hem was,—van dat hij in een tjelana-monjet2 stoeide met zusters en nichtjes, die allen verliefd op hem waren. Al die schatting aanvaarde hij goedig weg, maar diep in zich verbaasd, geschokt door wat Léonie had gedaan … En toch, redeneerde hij, misschien eenmaal was het ook anders van zelve zoo geworden, omdat Doddy zoo veel van hem hield … Liever had hij ongetrouwd willen blijven; ongetrouwd had hij op Patjaram toch huiselijkheid genoeg, en behield hij zijn vrijheid om, goedig, veel liefde aan de vrouwen te geven … En, naïf, bedacht hij nu al, dat het wel niet gaan zoû, nooit gaan zoû, lang trouw aan Doddy te blijven, omdat hij heusch te goedig was, en de vrouwen allen zoo dol. Later moest Doddy daar maar aan wennen, zich daarin schikken leeren, en—bedacht hij—in Solo, in den Kraton, was het toch ook zoo, met zijn ooms en zijn neven.…

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings