← Table of contents
De stille kracht

Note 17 — ZESDE HOOFDSTUK.

Reading edition

Tot nog toe had Doddy altijd veel van Léonie gehouden, instinctmatig. Maar nu kon zij het zich niet meer ontkennen: wat zij eerst gedacht had, dat toeval was—mama en Addy altijd zoekende elkaâr in den zelfden glimlach van aantrekking, de een trekkende den ander aan van het eene einde der zaal naar het andere, als onweêrstaanbaar—dat was geen toeval! En ook zij, ze haatte mama nu, mama met hare mooie kalmte, hare souvereine onverschilligheid. Hare eigen natuur van drift, van passie, kwam in botsing met die andere natuur van melkblanke kreole-loomheid, die zich eerst nu, laat, om de loutere goedgunstigheid van het noodlot, geheel dorst laten sleepen, zonder voorbehoud. Zij haatte mama en het gevolg van die haat waren scènes, scènes van nerveuze drift, opgillende drift van Doddy tegen de tergende kalmte van mama’s onverschilligheid, over allerlei klein verschil van meening: over een visite, een ritje te paard, een japon, over een sambal, die de een lekker vond, de ander niet. Léonie had er pleizier in Doddy te plagen, alleen om het pleizier van plagen. Dan wilde Doddy uithuilen aan papa’s borst, maar Van Oudijck gaf haar geen gelijk, en zei, dat zij voor mama meer eerbied moest hebben. Maar eens, toen hij Doddy, terwijl zij troost bij hem zoeken kwam, berispend sprak over hare wandelingen met Addy, gilde zij op, dat mama zelve op Addy verliefd was. Van Oudijck, boos, joeg haar de kamer uit. Maar het kwam alles te veel met elkaâr overeen—de anonieme brieven, de nieuwe behaagzucht van zijne vrouw, Doddy’s beschuldiging en wat hijzelve had opgemerkt op de laatste partijen—om hem niet te laten nadenken en tobben zelfs. En nu hij hier eenmaal over tobde en nadacht flitsten plotselinge herinneringen als korte weêrlichten door hem heen: van een onverwacht bezoek; van een deur, die gesloten was; van een portière, die bewoog; van een gefluisterd woord en een schuw afgebroken blik. Hij combineerde dat alles, en hij herinnerde zich die zelfde subtiele herinneringen, in verband met anderen, van vroeger, heel plotseling. Het wekte eensklaps zijn jalouzie, de jalouzie van den man op de vrouw, die hij liefheeft als zijn allereigenst bezit. Als een windvlaag, stak die jalouzie bij hem op, en woei door zijn werk-aandacht heen, verwarde zijne gedachten, terwijl hij aan zijn werk zat, deed hem plotseling zijn kantoor uitloopen, terwijl hij de politie-rol deed, zoeken in de kamer van Léonie, oplichten een gordijn, kijken zelfs onder het bed. En nu wilde hij niet meer, dat zij op Patjaram logeerde, naar hij voorgaf, om de de Luce’s geen hoop te geven, dat Addy ooit Doddy zoû krijgen. Want hij dorst Léonie niet over zijn ijverzucht spreken.… Dat Addy ooit Doddy zoû krijgen. In zijn dochter was ook wel Indiesch bloed, maar hij wilde een volbloed Europeaan voor schoonzoon. Hij haatte al wat halfras was. Hij haatte de de Luce’s, en al de verbinnenlandschte, Indische, quasi-Solosche traditie van hun Patjaram. Hij haatte hun gedobbel, hun koek-en-ei zijn met allerlei Javaansche hoofden: lieden, die hij ambtelijk gaf wat hun toekwam, maar verder beschouwde als noodzakelijke werktuigen van de politiek der Regeering. Hij haatte alle hunne manieren van oude Indische familie, en hij haatte Addy: een jongen, zoogenaamd employé, maar die niets uitvoerde, dan naloopen al wat vrouw, meisje, meid was. Hem, als werkzamen en ouderen man, was dit leven onuitstaanbaar. Léonie moest zich dus wel Patjaram ontzeggen, maar des morgens ging zij rustig naar mevrouw Van Does, en in haar kleine huisje ontmoette zij Addy, terwijl mevrouw Van Does zelve uit verkoopen ging, in een tjikar,17 met de twee stopflesschen inten-inten, en een pak gebatikte spreien. Des avonds dan wandelde Addy met Doddy en hoorde hare hartstochtelijke verwijtingen. Hij lachte om haar drift, hij nam haar in zijn armen tot zij hijgde tegen hem aan: hij zoende haar de verwijtingen van de lippen, tot zij dol van liefde wegsmolt aan zijn mond. Verder gingen zij niet, bang, vooral Doddy. Zij liepen achter de kampongs, op de galangans der sawahs, terwijl zwermen van vuurvliegjes in den donker om hen heen starrelden als heele kleine lampjes; zij liepen in elkanders arm, aan elkaârs hand liepen zij voort, in een liefde van ontzenuwende handtastelijkheid, die nooit durfde tot het einde. Met hunne handen voelden zij elkaâr heelemaal aan, zij beminden elkaâr met hun handen. Kwam zij dan thuis, dan was zij dol, razend op mama, in wie zij beneed de kalme, glimlachende verzadiging, als zij, in haar witten peignoir, zacht gepoeierd, lag te mijmeren op een rieten stoel.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings