← Table of contents
De stille kracht

Note 2 — TWEEDE HOOFDSTUK.

Reading edition

Maar zij lachte telkens even na, zacht verlegen. Zij was nog heel jong, misschien even achttien jaar. Zij was een Solosche prinses, en Van Oudijck kon haar niet uitstaan, omdat zij Solosche manieren, Solosche zeggingen invoerde te Laboewangi, in haar laatdunkenden hoogmoed of niets zoo voornaam en zuiver aristocratisch zoû zijn als wat gewoonte was en gezegd werd aan het hof van Solo. Zij gebruikte hofwoorden, die de bevolking te Laboewangi niet begreep, zij had den Regent opgedrongen een koetsier van Solo, met de Solosche galadracht: de pruik en den valschen knevelbaard, waarnaar de bevolking tuurde met open oogen. Hare gele tint was nog lichter opgeblankt door een lichte laag van bedak, vochtig opgelegd, de wenkbrauwen waren even opgebogen met een streekje zwart; in hare glanzende kondé staken juweelen spelden en in het midden, een kenanga-bloem. Zij droeg op een kainpandjang2, die naar Solosche hofdracht lang sleepte voor hare voeten, een kabaai van rood brokaat, met galon afgezet, en met drie groote juweelen gesloten. Twee fabelsteenen trokken, zwaar in zilver gezet, hare ooren neêr. Zij droeg lichte à-jour kousen en gouden sonket-3muilen. Hare kleine, dunne vingertjes waren stijf van ringen, als gezet in brillant, en zij had een waaier van wit pluimendons in de hand.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings