← Table of contents
De stille kracht

Note 9 — EERSTE HOOFDSTUK.

Reading edition

Zij zaten nu in den tuin, in négligé, thee te drinken, om half zes. Het was toch heel vreemd, maar Léonie vulde dadelijk het groote huis met een zekere comfortabelere gezelligheid, omdat zij er zelve van hield. Dronk Van Oudijck anders vlug een kop thee, dat Kario hem bracht in zijn slaapkamer, van daag al was die middagthee een prettig uur; er waren rieten stoelen en lange mail-stoelen vóor buiten gezet; op een rieten tafel stond het theeblad; er was pisang goreng gebakken, en Léonie, in een Japansche, roodzijden kimono, haar blonde haar los, lag in een rieten stoel en speelde met de kaka van Doddy en voerde den vogel met gebak. Het was dadelijk heel anders, vond Van Oudijck, zijn vrouw gezellig, lief, mooi, nu en dan iets vertellende van de kennissen te Batavia, van de races te Buitenzorg, van een bal bij den Gouverneur, van de Italiaansche opera; de jongens, vroolijk, gezond, jolig, hoe vies ook van hun spelen—en hij riep ze eens bij zich, en ravotte even met ze en vroeg naar het Gymnazium—zij zaten in de tweede klasse; en zelfs Doddy en Theo schenen hem anders toe, Doddy snoezig en zangerig rozen nu plukkende aan de bloempotten en Theo, spraakzaam, met mama, en zelfs met hèm. Een prettige trek speelde om Van Oudijcks snor. Hij zag er nog jong uit in zijn gezicht en nauwlijks scheen hij acht-en-veertig. Hij had een scherpen, levendigen blik van vlug opzien, van acuut doordringen. Hij was wat zwaar en had aanleg nog zwaarder te worden, maar toch had hij behouden iets vlug militairs, en op zijn tournées was hij onvermoeid; hij was een uitstekend ruiter. Groot en forsch, tevreden met zijn huis en zijn gezin, had hij iets prettigs van stevige mannelijkheid, en lachte om zijn snor de joviale trek. En zich latende gaan, zich uitstrekkende in zijn rieten stoel, drinkende zijn kopje thee, sprak hij uit de gedachten, die meestal in zulk een uur van tevredenheid bij hem opwolkten. Ja, het was toch maar een goed leven in Indië, bij het Binnenlandsch Bestuur. Ten minste voor hem was het altijd goed geweest, maar hij had ook een beetje gebofd. Nu was het wanhopig met de promotie; hij kende tal van assistent-rezidenten, die zijn tijdgenooten waren en die in jaren nog geen kans hadden rezident te zullen worden. En dat was zeker een wanhopige toestand, zoo lang te blijven in een betrekking van ondergeschiktheid aan een superieur, op dien leeftijd nog bevelen af te moeten wachten van een rezident. Hij had dat nooit kunnen uithouden, op zijn acht-en-veertigste jaar! Maar rezident zijn, zelf bevelen, zelf besturen een gewest, groot en belangrijk als Laboewangi, met zoo uitgebreide koffie-cultuur, zoo talrijke suikerfabrieken, met zóo vele erfpachtsperceelen—dat was een genot, dat was leven: een leven grootsch en ruim als geen ander, en waarmeê in Holland geen betrekking en leven te vergelijken was. Zijne groote verantwoordelijkheid was zijner heerschersnatuur een genot. Zijn werkkring was gevarieerd: kantoorwerk en tournée; de belangen van zijn werk waren gevarieerd: men sufte niet dood op zijn kantoorstoel: na het bureau was er de vrije natuur, en het was altijd afwisseling, altijd iets anders. Hij hoopte over anderhalf jaar rezident eerste-klasse te kunnen worden, als er een eerste-klasse gewest open kwam: Batavia, Semarang, Soerabaia, of een van de Vorstenlanden. En toch zoû het hem dan aan zijn hart gaan Laboewangi te moeten verlaten. Hij was gehecht aan zijn gewest, waarvoor hij vijf jaar al zooveel gedaan had, dat in die vijf jaar gekomen was tot zijn bloei, voor zooveel bloei mogelijk was in deze tijden van algemeene malaise: de koloniën arm, de bevolking verarmd, de koffiecultuur slechter dan ooit, de suiker misschien over twee jaar een hevige crizis gaande tegemoet.… Indië kwijnde, en zelfs in den nijveren Oosthoek begon te kankeren een loomheid en zwakte, maar toch voor Laboewangi had hij veel kunnen doen. Gedurende zijn bestuur was de bevolking in welvaart toegenomen; de irrigatie der rijstvelden was er uitstekend, nadat hij den ingenieur, eerst altijd in strijd met het B.B.9 had weten te winnen door zijn tact. Talrijke stoomtrammen waren aangelegd. De secretaris, zijn assistent-rezidenten, zijn controleurs waren hem toegedaan, al was het zwaar werken onder zijn bestuur. Maar hij had ook een prettigen toon met ze, al was het werken zwaar. Hij kon joviaal vriendschappelijk zijn, al was hij de rezident. Hij was blij, dat zij allen, zijn controleurs, zijn assistent-rezidenten vertoonden dat gezonde, blijmoedige type van den ambtenaar van B.B., tevreden met hun leven en werk, al bestudeerden zij ook tegenwoordig veel meer dan vroeger den Regeeringsalmanak en de Ranglijst, voor hunne promotie. Het was dan Van Oudijcks stokpaardje zijne ambtenaren te vergelijken met de rechterlijke ambtenaren, die niet vertoonden dat opgewekte type: tusschen beide groepen was dan ook steeds lichte naijver, animoziteit.… Ja, het was een prettig leven, het was een prettige werkkring, alles was goed, alles was goed. Er ging niets boven B.B. Het speet hem alleen, dat zijn verhouding tot den Regent niet gemakkelijker was, niet aangenamer was. Maar het was niet zijn schuld. Hij had den Regent steeds zeer nauwgezet gegeven wat hem toekwam, hem gelaten in zijn rechten, hem hoog gehouden tegenover de Javaansche bevolking en zelfs tegenover de Europeesche ambtenaren. O, het speet hem zoo innig, dat gestorven was de oude Pangéran, de vader van den Regent, de oude Regent, een nobele ontwikkelde Javaan. Met dien had hij steeds gesympathizeerd, hem had hij dadelijk gewonnen door zijn tact. Had hij niet, nu vijf jaar geleden, toen hij aankwam te Laboewangi voor de bestuursovername den Pangéran—type van den echten Javaanschen edelman—geïnviteerd aan zijn zijde plaats te nemen in zijn eigen rijtuig—en niet, zooals gebruikelijk was, den Regent laten volgen in een tweede rijtuig achter het rezidentsrijtuig—; en had hij niet door deze beleefdheid tegenover den ouden prins alle Javaansche hoofden en ambtenaren dadelijk gewonnen en hen gestreeld in hun eerbied en liefde voor hun Regent: afstammeling van een der oudste Javaansche geslachten: de Adiningrats, vroeger, ten tijde der Compagnie, sultans van Madoera …? Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hèm kon hij niet vatten, niet doorpeilen—dit bekende hij zich slechts stilzwijgend—; hem zag hij alleen raadselachtig, dien wajangpop, zooals hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, den rezident, alsof hij—prins—neêrzag op hem—Hollandschen burgerman; en daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaansche bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgeloovige praktijken en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets ontsnapte hem in den Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke koolzwarte oogen, niet neêrzetten als mensch in het praktische leven, zooals hij steeds den ouden Pangéran had kunnen doen. Die was hem altijd geweest, volgens den leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens de etiquette zijn „jongere broeder,” maar altijd medebestuurder van zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario’s faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem onpractisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaansche gommeux!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings