Note 6 — EERSTE HOOFDSTUK.
Reading edition
Zij hield van Theo, om zijn frissche jeugd. En hier op Laboewangi, was hij haar eenige ondeugd, een doortrekkende inspecteur en de roze engeltjes niet meêgerekend. Zij waren nu als stoute kinderen, zij lachten stil, in elkanders armen. Maar zij moesten voorzichtig zijn. Het was vier uur geworden en zij hoorden in den tuin de stemmen van René en Ricus. Zij namen het erf in bezit voor hunne vacantie. Dertien en veertien jaar, genoten zij van den grooten tuin. Zij liepen in een blauw gestreept katoenen buisje en broek, op bloote voeten en gingen naar de paarden, naar de duiven zien: ze plaagden Doddy’s kakatoe, die op het dak der bijgebouwen trippelde. Zij bezaten een tamme badjing6. Zij maakten jacht op tokkè’s, die zij schoten met een soempitan7, tot groote ergernis der bedienden, omdat de tokkè’s geluk aanbrengen. Zij kochten aan het hek katjang-goreng8, van een voorbijgaanden Chinees, en scholden hem daarna uit: