← Table of contents
De stille kracht

Note 1 — DERDE HOOFDSTUK.

Reading edition

Vijftien paal van Laboewangi, dertien paal van Ngadjiwa lag de suikerfabriek Patjaram, van de familie de Luce—half Indosch, half Solosch—vroeger millionair, door de laatste suikercrizis niet zoo rijk meer, maar toch nog een talrijk huisgezin onderhoudend. In deze familie, die zich steeds bij elkander hield—een oude moeder en grootmoeder, Solosche prinses; de oudste zoon, administrateur; drie dochters getrouwd en met haar mannen—employé’s—levende in de schaduw der fabriek; drie jongere zonen, werkzaam op de fabriek; de talrijke kleinkinderen, spelende om en bij de fabriek; de achterkleinkinderen kiemende om en bij de fabriek—in deze familie waren de oude Indische tradities bewaard, die—vroeger algemeen—tegenwoordig zeldzamer worden door een drukker Europeesch verkeer. De moeder-en-grootmoeder was een dochter van een Soloschen prins, getrouwd met een jongen, energieken avonturier en bohémien, van een adellijke Fransche familie uit Mauritius, Ferdinand de Luce, die, na eenige jaren zwerven en zoeken zijn plaats in de wereld, als hofmeester op een boot naar Indië was getogen, na allerlei levensverwisseling gestrand was te Solo en er beroemd was geworden om een gerecht van tomaten, en een van gefarceerde lomboks!1 Door zijn recepten verschafte Ferdinand de Luce zich toegang tot den Soloschen prins, wiens dochter hij later huwde, en zelfs tot den ouden Soesoehoenan. Na zijn huwelijk was hij grondbezitter geworden, volgens den Soloschen adat vazal van den Soesoehoenan, wien hij iederen dag rijst en vruchten voor de huishouding der Dalem2 zond. Toen had hij zich gelanceerd in de suiker, radende de millioenen, die een goedgunstig lot voor hem verborgen hield. Hij was gestorven vóor de crizis, in allen rijkdom en eer.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings