← Table of contents
De spoorzoeker

Note 1 — VI. Eene duistere geschiedenis.

L. C. (Lodewijk Christiaan) Cnopius translation

Op den 10 Julij 1834, omstreeks tien ure des avonds, nadat eene brandende zonnehitte de inwoners dien geheelen dag genoodzaakt had zich in hunne huizen op te sluiten, verhief zich een frissche togt van de bergen, die de lucht merkelijk afkoelde. Iedereen begaf zich op de met bloemen bedekte, naar hangende tuinen gelijkende azotea’s, om er het verkwikkende luchtbad van den amerikaanschen nacht te genieten, dat als door het heldere blaauw des hemels heen, van de sterren op aarde schijnt af te dalen. Ook de straten en pleinen waren met wandelaars opgevuld, allerwege heerschte een gonzend gehommel, een ondoordringbaar gewemel van voetgangers en ruiters, zoo vrouwen als mannen, Indianen zoowel als Spanjaarden, creolen, mestiezen, zwarten en blanken; gescheurde kleeren en lompen, mengden zich op de zonderlingste wijs met zijden, fluweelen en gouden stoffen, onder het geklater van roepstemmen, kwinkslagen of schaterend gelach; kortom, als een betooverde stad uit de duizend en een Arabische Nachtvertellingen, scheen Mexico op het gebengel der klok van het oracion eensklaps als uit een eeuwenlangen slaap gewekt, zoo vrolijk straalden er de aangezigten van genot, en zoo gelukkig waren allen dat zij de reine avondlucht met volle teugen konden inademen. Op dit oogenblik kwam er uit de calle San-Francisco een onderofficier—gemakkelijk te herkennen aan den druivenstok1 dien hij als kenteeken van zijn rang in de hand had—en mengde zich onder de woelige schaar op de Plaza Major, met dien balanceerenden trippelgang en dat air van onbezorgde schalkerij, dat den militairen lanterfant in alle wereldstreken eigen schijnt. De hier door ons bedoelde was een jong mensch van trotsch uitzigt, fieren blik en een paar fijn gewaste, koket opgestreken knevels. Na twee of drie keeren het plein te zijn rond geweest, knipoogend tegen de jonge meisjes, en met de ellebogen stootend tegen de mannen, naderde hij, altoos in de zelfde onverschillige houding, een winkeltje, dat tegen een der portalen was aangebouwd en waarin een oud man, met een gezigt als een marmot en met loensche blikken, bij het licht van een smerige lamp, bezig was een stapeltje papier, pennen, enveloppen, ouwels, kortom alle noodige schrijfbehoeften weg te bergen, in de lade van zijne met duizend inktvlakken bezoedelde tafel; werkelijk was de oude schobbejak rekest- en briefschrijver van beroep, zooals het bordje boven de deur van zijn pothuis aanduidde, waarop met witte letters op een zwarten grond gelezen werd: “Juan Bautisto Leporella, Evangelista.” De onderofficier loerde eerst eenige oogenblikken door het glazen raampje, dat met allerlei soort van geschreven stukken pronkte; en zonder twijfel voldaan over hetgeen hij gezien had, gaf hij met zijn druivenstok drie ferme slagen op de deur.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings