Note 2 — XXIV. Quiepa Tani.
L. C. (Lodewijk Christiaan) Cnopius translation
De aanblik van dit gebouw is allerindrukwekkendst; men beklimt, den drempel langs een breeden trap van twintig treden, elk uit een enkelen steen van tien meters lengte gehouwen; de muren zijn verbazend hoog en het dak, even als die der andere gebouwen, eindigt in een terras of verheven plat. De Indianen, ofschoon volkomen in staat om onderaardsche gewelven te stichten, schijnen echter niet te weten hoe men een koepeldak of dom moet bouwen. Het inwendige des tempels is betrekkelijk zeer eenvoudig. Lange draperiën met vederen van duizend kleuren geborduurd en door middel van hieroglyphische figuren, de geschiedenis der Indiaansche godsdienst voorstellende, bedekken de wanden. In het midden des tempels staat een teocali of altaar, waarboven eene zon, schitterende van goud en edele gesteenten en rustende op de groote ayalt, of heilige schildpad. Door eene kunstmatige inrigting van het gebouw, schiet de opkomende zon iederen morgen hare stralen regt op het zonnebeeld, en doet alsdan dit idool schitteren met een oogverblindenden glans, die alles wat er omheen is verlicht en verlevendigt. Voor het altaar staat de offertafel, een vervaarlijk groot marmerblok, gelijkende naar de bekende menhirs der Druiden in het land der aloude Armorichen. Dit marmerblok rust op vier kolossale pooten van graniet. Het tafelblad is in het midden eenigzins uitgehold, en voorzien van een geul om het bloed der slagtoffers te laten wegvloeijen. Wij haasten ons te zeggen, dat het slagten van menschenoffers dagelijks zeldzamer wordt; gelukkig zijn wij ver verwijderd van dien rampzaligen tijd, toen men ter inwijding des tempels te Mexico op een enkelen dag zestig duizend menschen slagtte; tegenwoordig heeft dit afschuwelijk gebruik slechts in buitengewone gevallen plaats, en dan kiest men de slagtoffers alleen uit ter dood veroordeelde personen. Op den achtergrond des tempels is eene kleine, met zware gordijnen voor het oog des volks afgesloten ruimte. Deze gordijnen bedekken den ingang van een trap, die naar de uitgestrekte gewelven onder den tempel voert, in welke alleen de priesters vrijheid hebben om af te dalen. Het is in deze onderaardsche gewelven dat het gewijde vuur van Moctecuzoma2 onophoudelijk blijft branden. De trappen en dorpels aan den ingang des tempels worden iedereen morgen met versche bladeren en bloemen bestrooid.