Note 1 — Mr. en Mrs. Shelby.
Reading edition
4. De vrijheid gewoonlijk aan de slaven vergund—hunne feestdagen en vermaken, en de manier, waarop zij gewoonlijk hunne avonden en feestdagen slijten.—Het is hun verboden van het goed te gaan, zonder vooraf verlof te hebben bekomen; hoewel zij dezen regel dikwijls overtreden, en dat ongestraft, behalve in zeer erge gevallen. Zij die vrouwen op andere plantaadjes hebben, gaan deze op zekere bepaalde nachten bezoeken, en hebben eene vergunning van tijd om te gaan, en terug te komen, evenredig aan den afstand. Mijne Negers hebben verlof en worden zelfs aangemoedigd om zoo veel eenden en hoenders op te kweeken als zij kunnen; om groenten tot eigen gebruik en eene plek koren ten verkoop te planten; om hun handwerk uit te oefenen, wanneer zij er een verstaan, hetgeen velen doen; om muskusratten en andere dieren te vangen voor het bont of het vleesch; om bijen te houden; om, in het kort, een eerlijken stuiver te verdienen, op alle manieren, waartoe het toeval of hunne eigene schranderheid gelegenheid geven. De opgenoemde manieren zijn echter die, welke het meest worden aangewend, en overleggende slaven zijn in staat, om daarmede hoofd voor hoofd van vijf tot dertig dollars te verdienen. Het koren is eene andere soort dan die ik verbouw, en wordt alles door mij gekocht. Zeer vele hoenders worden opgebragt; ik heb dit jaar vernomen, dat een man voor tien dollars waarde te gelijk verkocht heeft. Eene der voornaamste bronnen van winst is het bont van de muskusrat; en om deze te vangen zijn de moerassen van het goed sedert onheugelijken tijd afgedeeld, en deze deelen worden bijna als erfelijke leengoederen bezeten. De Negers hebben aan Nat Turner1 en Tappan de inkorting van sommige hunner voorregten te danken. Als opregt vriend der zwarten, heb ik de roekelooze tusschenkomst dezer lieden zeer beklaagd, uit hoofde der beperkingen, welke het noodzakelijk is geweest, of welke men noodzakelijk heeft geacht, daarna op te leggen. Sedert den aanslag van den eerstgenoemden held, is het hun verboden te prediken, behalve voor hunne medeslaven, die aan denzelfden eigenaar toebehooren; openbare begrafenissen te houden, tenzij een blanke daarbij de lijkdienst verrigt, en te leeren lezen en schrijven. Hunne begrafenissen gaven hun voorheen groot genoegen, en het was hier gebruikelijk, de betrekkingen des overledenen van spek, brandewijn, meel, suiker en boter te voorzien, waarmede op hunne manier een groot onthaal werd aangerigt. Wij hadden eens groot vermaak in een hartigen kerel, die zijne meesteres verzocht om hem bij zijn leven zijne begrafenis te laten houden, daar die hem dan nog goed zou doen. Dit schalksche verzoek werd toegestaan, en ik durf zeggen, dat er nooit eene begrafenis was, waarvan de hoofdpersoon zelf zooveel genot had. Toen dit werd toegestaan, predikten verscheidene Negers met groote vlugheid van taal. Ik was er eenige jaren geleden bij tegenwoordig, toen een Episcopaalsch geestelijke het volk, na voorafgaande oproeping, aansprak. Na het slot eener uitmuntende leerrede stond een neger-prediker op en dankte hem vriendelijk voor zijne rede, maar zeide hem ook rondborstig, „dat de vergadering zijn lingo niet verstond.” Daarna vervolgde hij zelf, met groote heftigheid en radheid, woorden smedende, wanneer hij die niet voor de hand, of liever voor de tong vond, en overtuigde zijne toehoorders zonder twijfel van zijne meerderheid boven zijnen blanken mede-arbeider in het veld der genade. Mijn broeder en ik, die aan elkander grenzende goederen hebben, hebben onlangs op de grenslinie daartusschen eene kapel gebouwd en eenen geschikten prediker van de gezindte der Baptisten, waartoe de Negers bijna uitsluitend behooren, gebezigd om hun godsdienstig onderwijs te geven. Behalve als een voorbereidende stap tot emancipatie, houd ik het voor zeer onstaatkundig, zelfs wat de slaven zelven aangaat, hun te veroorloven om te leeren lezen en schrijven. „Waar onkunde een zegen is, is het dwaasheid wijs te zijn.” En het is zeker onstaatkundig wat de meesters aangaat, volgens den regel, „dat kennis magt is.” Mijne arbeiders hebben niet zulke lange feesttijden als die van de meeste andere lieden. Ik geef drie dagen met Kerstmis, en één dag met elk der drie andere tijden, behalve eenigen tijd om hunne plekjes grond te bewerken; of als het zeer druk is bewerk ik ze liever zelf. De meeste oude tijdverdrijven zijn in deze streek in onbruik geraakt, en godsdienst, valsche of echte, is daarvoor in de plaats gekomen. De banjo, hun nationaal instrument, is slechts in naam bekend, of in eenige weinige melodieën, die nog bewaard zijn gebleven. Eenigen van de jongste Negers zingen en dansen, maar de avonden en feestdagen worden gewoonlijk besteed met werken, bezoeken geven, en bidden en psalmen zingen. De oorspronkelijke gebruiken en vermakelijkheden worden, geloof ik, verder zuidwaarts beter bewaard, waar de slaven uit Afrika werden aangebragt lang nadat er daar vandaan hier kwamen.