Note 1 — Martelaarschap.
Reading edition
Toen de Kwakers hunne poging in het werk stelden, was deze Leviathan in het riet en de biezen van Amerika jong en kaal, en had zijne krachten nog niet leeren kennen. Toen zou men hem „met een angel hebben kunnen trekken;” toen zou men „een verbond met hem hebben kunnen aangaan, en hem tot een eeuwigen slaaf maken;” maar nu is de Leviathan volwassen. „Ziet, zijne hope zal feilen; niemand is zoo koen, dat hij hem opwekken zoude; hij zal voor zijn gezigte nedergeslagen worden. Zeer uitnemende zijn zijne sterke schilden; elk een gesloten als een naauwdrukkend zegel. Het eene is zoo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tusschen komen. De stukken zijns vleesches kleven te zamen; elk een is vast in hem, het wordt niet bewogen. Zijn hart is vast, gelijk een steen, ja vast gelijk een deel des ondersten molensteens. Raakt hem iemand met den zwaarde, dat zal niet bestaan. Hij acht het ijzer als stroo en het staal voor verrot hout. De pijl zal hem niet doen vlieden: de slingersteenen worden hem in stoppelen veranderd. Hij belacht de drilling der lans. Op aarde is niets met hem te vergelijken: hij is een Koning over alle jonge hoogmoedige dieren.”1