← Table of contents
De Slavernij

Note 1 — De slavenhandel.

Reading edition

Dit stelsel drukt met ontzettende zwaarte op den slaaf. Het houdt hem onder voortdurende vrees van aan den zieldrijver1 verkocht te zullen worden, hetwelk voor den slaaf de verwezenlijking is van alle denkbare jammer en ellende en door hem erger gevreesd wordt dan de dood. Een ontzettend voorgevoel van dit lot hangt den rampzalige dag en nacht, van de wieg tot aan het graf, boven het hoofd. Hij weet, dat er geen uur voorbijgaat, hetzij hij slape hetzij hij wake, dat niet het laatste welligt zal zijn, hetwelk hij bij vrouw en kinderen doorbrengt. Elken dag of week wordt een bekende van zijne zijde weggerukt, en zoo blijft de herinnering aan zijn eigen gevaar voortdurend bij hem levendig. „Eerlang zal gewis de beurt aan mij komen,” is zijne folterende gedachte; want hij weet, dat hij daarvoor opgekweekt is, als een os voor het juk, als een schaap voor de slagtplaats. In dezen staat van zaken is de toestand van den slaaf waarlijk onbeschrijfelijk. Wachten, al betreft het geene zaak van gewigt en al duurt het slechts een nacht, is moeijelijk te verduren. Maar wanneer iets vreeselijks hangt boven alles, volstrekt boven alles wat dierbaar is, en over het tegenwoordige zijne schaduw en over de toekomst eene sombere tint werpt, dan waarlijk moet het hart er onder breken. En dat is het zwaard, dat iederen slaaf in de slavenkweekende Staten, voortdurend boven het hoofd hangt. Zijn gering deel van geluk wordt er door vergiftigd. Zoo hij vader is, kan hij niet naar den arbeid gaan zonder in gedachten zijne vrouw en kinderen vaarwel te zeggen. Hij kan niet aêmechtig en afgemat van het veld terugkeeren, met de zekerheid dat hij zijne stulp niet beroofd en ledig zal vinden. Evenmin kan hij zich neêrstrekken op zijn bed van stroo en lappen zonder de snerpende vrees, dat zijne vrouw vóór den morgen uit zijne armen gescheurd zal worden. Nadert een blanke zijns meesters huis, hij vreest dat de zieldrijver gekomen is en verwacht met schrik des opzigters bevel: „Gij zijt verkocht; volg dien man.” Er is geen wezen op aarde, die den slaven in de slavenkweekende Staten zooveel schrik inboezemt als de handelaar. Hij is hun wat de roofzuchtige ronselaar voor hunne minder beklagenswaardige broederen in de wildernissen van Afrika is. De meester weet dit, als ook dat er geene zoo krachtige straf is om eenig werk verrigt te krijgen of hen van slecht gedrag af te houden, dan de bedreiging dat hij hen aan den zieldrijver zal overleveren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings