Note 3 — Vijfde Hoofdstuk.
Reading edition
Welhaast bevonden zich nu de ruiters in de breede laan, welke recht op ’s Graven jachtslot aanliep. Tot nog toe was het uitzicht meestentijds beperkt geweest door golvende duintjes, deels met eiken kreupelhout beplant, waarvan de dorre takken nog hier en daar voorzien waren met de verschrompelde en saamgetrokken bladeren van een vorig seizoen, deels met berken, wier jeugdig lentegroen het oog verheugde,—deels met enkele popelstruiken, wier aankomend blad in eeuwige onrust op den wind fladderde,—deels alleen overdekt met krakend mos en geurige duinviooltjes: doch overal aan den benedenkant begroeid met welriekend pijpkruid, met donkere netelstruiken en andere ontelbare gewassen, wier verscheidenheid vooral in het eerste lenteseizoen de omstreken van Haarlem in den dos der vreugde kleedt.—Maar nu werd dat uitzicht ruimer: tusschen de kleine dwergeiken door, welke aan weerszijden in de laan stonden, blikte men over een min of meer afhellende vlakte, met een frisch glanzend grastapijt overdekt, op hetwelk duizenden voorjaarsbloemen hare lachende kleuren ten toon spreidden. Op de helft der laan was een plankenbrug, gelegd over een smalle vaart of wetering, die van nabij Haarlem af tot aan Noordwijk liep, en van welke, ofschoon meest verzand, nog de sporen te vinden zijn op de plaats, die wij beschrijven. Deze vaart werd niet verre van daar gevoed door een smalle beek, welke het overtollige duinwater aanvoerde, en, alvorens zij zich ontlastte, om een gedeelte der vlakte heenkronkelde en er een soort van afgezonderd vak van maakte, dat nimmer door eenig vee betreden werd, maar tot een lustperk diende, waar de Graaf zich, benevens zijn hofgezin, met onderscheidene spelen en oefeningen ging vermaken, en ’t welk daarom ’s Gravenmade3 heette, welke naam tot heden nog aan die plek gebleven is.