Note 110 — ZESDE BOEK.
D. (Dionijs) Burger translation
Plato spreekt van den geheelen tijd en de geheele wezenheid, als wij van den oneindigen tijd en de oneindige wezenheid spreken zouden. Hij vat dus het begrip van de stellige, niet van de ontkennende zijde.
Opdat nu niemand zich aan dit vatten van het oneindige stoote, zal ik hier twee plaatsen uit de Eerste gronden der Meetkunst, door J. de Gelder overnemen. Op blz. 43 zegt hij: «Een hoek is eene onbepaalde platte vlakte, die aan twee kanten, door twee zamenkomende en tot in het oneindige voortloopende lijnen bepaald of begrensd, maar, aan den tegenovergestelden kant van het hoekpunt, onbegrensd is. Men heeft geene oneindig groote stukken papier: men kan ook geene regte lijnen tot in het oneindige verlengen; maar men kan dezelve denken.» En blz. 93, «Met dit verklaarde [over de onmeetbare uitgebreidheden] strijdt geenszins ons onvermogen, een regte lijn, b. v. tot in het oneindige te verdeelen; want wij kunnen dit laatste niet om twee redenen: 1o. omdat weldra de uitgebreidheden zoo klein worden, dat onze zintuigen dezelve niet meer kunnen onderscheiden; 2o. omdat wij buiten dien hinderpaal toch met het verdeelen niet tot in het oneindige zouden kunnen voortgaan: van de mogelijkheid, en wezenlijkheid van het bestaan der onderling onmeetbare uitgebreidheden overtuigt ons de rede, zonder dat het in onze magt staat, dezelve in eene figuur of constructie aanschouwelijk te maken.» Zie ook Ahrens, Grondbeginselen der Mensch- en Zielkunde, II. 127, 128.